Letterlievend » De literatuur op café

In november geopend: Café Buddingh, uiteraard in Dordrecht

Restaurant Bordewijk. Noordermarkt , Amsterdam

 

De bekendste en nog steeds veel gelezen roman van Bordewijk is Karakter. In Arnhem is een gelijknamig café restaurant  en in Rotterdam een restaurant. Bordewijk was een echt stadsmens en woonde in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Op de startpagina van deze website meer tweede gebruik van Karakter. 

Ferdinand Bordewijk, geboren te Amsterdam  (1884-1965) 


Het eerste café waar ik als puber zonder mijn ouders vertoefde was Het Hijgend Hert in Breda. Mijn tussenuren sleet ik er met klasgenoten en  chocolademelk. Later vierde ik er uitbundig carnaval.  Deze naam is ontleend aan een psalm:

t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw naam verhogen?    

 

De psalm is geschreven door Lucretia Wilhelmina van Merken, een achttiende-eeuwse  schrijfster die zeer door Betje Wolff bewonderd werd. 

Er is ook een café met deze naam in Vijlen. In een tweetal boeken is de beeldspraak in de titel verwerkt, Het hijgend hert den jacht ontkomen. In een wiskundige studie over eenvoudige ecosystemen bestaande uit roof- en prooidieren door de wiskundige Henk Moed (1976) en de roman Het hijgend hert van Gerard Reve.


Er zijn zoals te verwachten was zijn er behoorlijk wat etablissementen in Vlaanderen die refereren aan Van den vos Reinaerde. Je vindt onder andere eetcafés in Alkel, Destelbergen, De Haan, Lochristi en natuurlijk in Hulst. De mooiste plaatsnaam is Opoeteren met een B&B Reinaert. In Hulst wemelt het van verwijzingen naar Reinaert, bijvoorbeeld een pand met Bruun en Belijn op de zijgevel.


't Schrijverke is een restaurant in Brugge, nog wel in de 
Gruuthusestraat . De naam is ontleend aan het beroemdste gedicht van Guido Gezelle, de priester-dichter uit de negentiende eeuw die opkwam voor het Vlaams. 

Het begin van het gedicht:

O krinklende winklende waterding,
Met 't zwarte kabotseken aan,
Wat zien ik toch geren uw kopke flink
Al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
Al zie 'k u noch arrem noch been;
Gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
Al zie 'k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
Dat nimmer van schrijven zijt moe?