Letterlievend » Poëzie » Literaire termen » Soorten gedichten

Soorten gedichten

 

ballade
1. Gedicht bestaande uit 3 strofen van meestal 8 regels en een 4e strofe bestaande uit 4 regels die wat de eerste woorden betreft de herinnering bewaart aan de oude rederijkersballade,waarvan de laatste strofe altijd begint met 'Prince' (de prins was de titel van de beschermheer van een rederijkerskamer. Een ander kenmerk van de (rederijkers)ballade is dat elke strofe eindigt op een (nagenoeg) gelijke regel. (zie hieronder ‘Het stenen kindje’)

2. Een lang strofisch gedicht waarin op eenvoudige wijze een romantisch verhaal wordt verteld. Ze worden ook wel volksballade genoemd.  Een bekend voorbeeld is ‘Het lied van heer Halewijn’. Zie bespreking ervan bij volksballade.

 

distichon

Een strofe van twee regels; een gedicht kan uit uitsluitend distichons bestaan.

Een voorbeeld van een gedicht met disticha:

 

TWEE VRIENDEN

 De maan maakt den nacht tot een sneeuwwit veld.

Een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld.

 

er is door dit spreken een wonder gebeurd:

hun harten zijn zoozeer eender gekleurd

 

dat de een als hij soms naar den ander ziet

bij zichzelven zegt: ben ìk dat niet?                              (H.Marsman)

 

elegie

Klaaglied; het hoofdmotief van de meeste klaagliederen is de dood of het einde van de vreugde der liefde.

 

epigram

Puntdicht; een kort,puntig,kernachtig gedichtje. Het genre werd tijdens de Renaissance veel beoefend (Hooft, Huygens); later o.a. door de 19e-eeuwer Staring. Ook in de moderne poëzie kan men het aantreffen.

 

Wip

Dirk was ter wip verwezen                    (ter wip verwezen = tot de galg veroordeeld)

en liet niet enen traan;

hij zei: 'Wat zoud' ik vrezen?

't Is met een wip gedaan.'                                    (Constantijn Huygens)

fabel

Een kort gedicht waarin dieren als denkende wezens worden voorgesteld en  waarin aan het slot een moraal zit. Bekend is de middelnederlandse fabelbundel Esopet,een vertaling van de verzameling Latijnse fabels van Aesopus.

 

 

limerick

Een vijfregelig gedichtje met het rijmschema a a b b a ; de regels 1,2 en 5  zijn langer dan de regels 3 en 4; de inhoud is meestal kolderiek.

Meestal eindigt de eerste regel op een plaatsnaam.

 

Er was eens een dichter in Naarden

Die trouw al zijn peukjes bewaarde,

Daar draaide hij dan

Nieuwe rokertjes van

Waarvan hij de peukjes weer spaarde                            (Alex van der Heiden)

 

satire

Een hekeldicht; een prozatekst of gedicht met sarcasme geschreven.

Bekende satires zijn: Van den Vos Reinaerde en de gedichtenbundel Grassprietjes van Cornelis Paradijs (=Frederik van Eeden),die als jonge schrijver zijn veel oudere en beroemde -maar overschatte!-collega's op de korrel nam.

Een satire kan tevens een (grimmige) parodie zijn.

 

sonnet

Een gedicht bestaande uit twee kwatrijnen (samen het octaaf vormend) en twee

terzinen (samen het sextet vormend); meestal is er na de achtste regel een wending (volta of chute): het gedicht neemt daar een 'draai'. De relatie tussen octaaf en sextet kan zijn die van tegenstelling, beeld-object (of object-beeld), heden-verleden enz. Een dergelijk sonnet heet ook wel een Italiaans sonnet. Daarnaast bestaat het Shakespeare-sonnet, dat bestaat uit drie kwatrijnen en een distichon. De wending komt hier na de 12e regel. Meestal zijn er geen witregels tussen de strofen. Het rijmschema van een Italiaans sonnet is meestal abab /abab /cdc /dcd; dat van een Shakespeare-sonnet abab/cdcd/efef/gg. In plaats van gekruist rijm in de kwatrijnen komt ook wel omarmend rijm voor.

 

POGROM

 

Is dit de maan, die naar het laatst kwartier gaat,

of een gelaat, omgord door walm en vlam?

Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?

-Vluchtte de jongen, toen de bende kwam?

                                                    

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,

is dit het water, dat hem langzaam nam,

is dit de spree, en dat de Grenadierstraat?

-Het is de Amstelstroom, 't is Amsterdam.

 

Op 't Rembrandtsplein gaan de lantarens branden,

over de daken sproeit een lichtfontein.

-Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

 

De Jodenbreestraat is een diep ravijn;                  

ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.

-Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

                                                 
                                       (Ed. Hoornik)