Letterlievend » Poëzie » Herfstgedichten

Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross.

Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,

und auf den Fluren lass die Winde los.

Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

 

gib ihnen noch zwei südlichere Tage,

dränge sie zur Vollendung hin und jage

die letzte Süsse in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

 

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,

wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben

und wird in den Alleeen hin und her

unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

 

Rainer Maria Rilke

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.

Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,

en stel de velden aan de winden bloot.

Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;

 

verleen hun nog twee zuidelijker dagen,

stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag

de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.

 

Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,

zal waken, lezen, lange brieven schrijven,

in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,

als op de wind de blaren zullen drijven.

 

 Anton Korteweg 

 

Jan Wolkers - Wintervitrines 

achter het gras

terwijl de herfst voor de deur stond

met deze hand

als een inktvlek

probeerde ik de zon stil te zetten

geen geluid brak meer door

van achter de glazen barrière

volière

van ijs en chroom

waar je witte hand in zweefde

als een meeuw die de kust verlaat

als een berijpte boom

zo hangen vanavond

mijn betraande ogen

in je afscheid

Nicolaas Matsier  – Wij glanzen wat we kunnen

Wij glanzen wat we kunnen naast het pad.

Hij daar, hij liet ons los. We dwarrelden

en kwamen neer. Nu zijn we hier.

Ons blad doet wat het moet en vangt de zon – waartoe?

De steel zit er nog aan maar mondt niet uit

en krijgt al geen berichten meer van kruin

of wortels. Ga nu je gang dus, geel, rood, bruin.

Laat ons maar krullen, ritselen

en kraken. Waarna tot slot wie weet drijfnat de nervatuur zich toont.

Ets van de boom.

Uit: Zonder titel, zonder jaar 

V

Leo Vroman - September

Nog eenmaal door de weide,
nu bijna waterdiep,
ruisend voort schrijden,
badend in grasgezwiep;

en binnen, door horregazen,
nachtwind voelen, de koeien
horen ademen en grazen
of zachtjes bonkend stoeien;

nog eenmaal een teruggekeerde
stem en verwaaide taal
van een reeds tot mest verteerde vriend,
nog eenmaal.

Uit: 262 gedichten

Huub van der Lubbe zette dit gedicht op muziek. Klik op de foto voor een filmpje.

J. C. Bloem- Herfstdag

De tuinders werken in de bruine hoven,

De wereld was verlaten van gerucht,

En het oneindig najaar spande erboven

De paarlen sfeer van een gelaten lucht.

 

Zo was het hier, zo moest het elders wezen:

Herfst, land en mensen in een stilverband,

Waarboven, in berusting uitgerezen,

Een overal gelijke hemel span.

 

Wat dan te doen, grijs landschap, grijze luchten,

Uit de oudste dromen van de ziel gemaakt,

Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten

Al haast niet meer naar deze dingen haakt?

 

Uit: Media Vita

 

H. Marsman  – Zonnige septembermorgen

De zomer en de late rozen 

zijn zacht ontblaadrend uitgebloeid; 

het bloedend vuur, het hete blozen

tot oud octobergoud vergloeid.

 

De groene vlammen van de bomen

-bestorven bruin en wingerdrood-

zijn van hun donkre drift benomen 

o dag, o droom van blauw en goud!

 

Het licht hangt in de honingraten

der vensters als een vochtig vlies

en morgenzon in de gelaten

waarin bij nacht de droefheid wies.

 

O zijden zonlicht, zacht kristal

hoe onbeschrijflijk mild en edel

verzilvert gij het smal ravijn

der huizen en de ranke schreden

 

der meisjes langs den waterval

en langs de gracht en op de bruggen

die teer gebogen ruggen 

welven over het fulpen waterdal;

 

de kinderen vangen met hun handen

de zachte speren; en hun mond

vangt het geluk met open tanden 

van dauw en vochte morgenstond.

 

O witte wel, o waterval

omhuiverd door die vroege tent

van hemelsblauw, o firmament

dat koel en diep doorschijnend is;

 

genees mijn hart dat in den zomer

zo ruw en rood gehavend werd;

genees het in het klare stromen

voordat het droef en avond wordt.

 

Uit: Verzamelde gedichten

 

J.C. Bloem -November

Het regent en het is november:

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.

 

En in de kamer, waar gelaten

Het daaglijks leven wordt verricht,

schijnt uit de troosteloze straten

Een ongekleurd namiddaglicht.

 

De jaren gaan zoals zij gingen,

Er is allengs geen onderscheid

Meer tussen dove erinneringen

En wat geleefd wordt en verbeid.

 

Verloren zijn de prille wegen

Om te ontkomen aan de tijd;

Altijd november, altijd regen,

Altijd dit lege hart, altijd.

Uit: Media vita

 

 

 

Toon tellegen - Verdrietig kind, verdrietig gedicht

Ik ben de herfst. 
Ik ben de regen. 
Ik ben de storm. 

Zoek mij maar op, 
ik sta in alle gedichten. 

Houd mij maar vast, 
ik heb het koud en ik ben moe, 
en nog zoveel bladeren aan de bomen, 
nog zoveel bladeren overal. 

Uit: Daar zijn woorden voor

 

Willem van Toorn - Landelijke herfst

 

Alles vandaag op zijn plaats;

moeders zoals het hoort

met wagens in het groen,

te vangen onder een woord

als een hoedje. Het plantsoen

verkleurt achter hun gepraat

Tennissers binnen gaas,

onmiskenbaar in wit,

spelen een bal die er is,

stuiterend op steenrood

als je het nog niet geloofd

De kerktoren aan het eind

begrenst met wat eeuwigheid

al deze aanwezigheid.

Twee eenden als een gek

klapwieken eruit weg

alsof een draad ze trekt

naar een andere prent,

hierbuiten dus onbekend.

Uit: Gedichten 1960-1997

 

Jean Pierre Rawie – Bevlogen

 

Ik weet niet zeker of het zwanen waren,

een najaarsnanacht dat hun vleugelslag

in duizendvoud over het huis heen lag,

om pas tegen het daglicht te bedaren.

Die hele dag liep ik als uitverkoren,

of ik door engelen was aangeraakt.

Maar hoeveel lege nachten zijn doorwaakt

waarin sindsdien geen wiekslag viel te horen?

Nu moet ik mij weer met de zon verzoenen

en, nooit meer zo bevlogen, wennen aan

het wassen en het slinken van de maan,

het komen en het gaan van de seizoenen.

Uit: Onmogelijk geluk.