Ga direct naar de hoofdinhoud

Bloemen in beelden

en gedichten 

Huub Oosterhuis - Honderd bloemen 

 

Honderd bloemen mogen bloeien.

Grond en lucht genoeg voor alle

zaden knollen anjelieren.

Stenen moeten stenen blijven.

Mensen vliegen hoog als goden.

Maar de zuring en de klaver

mogen bloeien honderdvoud.

 

Korenbloemen, flarden

blauwe hemel, vlijmende papaver,

morgensterren aan de dijken

flemend om gezien te worden,

woekerend in de populieren

als een nest de maretak,

de bloem der zoenen bitterzoet.

 

Op zijn stekelige stengel

bloeit en treurt de kale jonker

en geen vlinder zal hem vinden.

Tronken zullen twijgen dragen

varens op bevroren ruiten

zullen wuiven, bloeien mogen

honderd rozen van papier.

 

Broos op stelen ongebroken,

wild en blindelings verstrengeld

in spelonken op de vaalten,

tussen schotsen ijs en boeken,

op de graven, mogen bloeien,

alle ongelijk eenzelvig,

honderd bloemen zonder naam.

 

In een woud van droomgewassen,

stenen wortels, stalen webben,

tochtig labyrint van woorden,

woont een mens, op brekebenen,

lelie van het veld, met ogen

tranend bijna blind van zoeken

naar een plek die water geeft.

Flowers Forever

Pierre Kemp- Bloem

Het is een bloem

om er met een vaantje om rond te gaan

en zacht te zingen.

Het is een bloem om niet meer burger te zijn,

maar een broer van een kinderhemdje in zonneschijn.

Uit: Verzamelde gedichten

 

 

Frederik van Eeden - De waterlelie

 

Ik heb de witte water-lelie lief,

daar die zo blank is en zo stil haar kroon

uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,

heeft zij het licht gevonden en ontsloot

toen blij het gouden hart.

 

Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenst niet meer...

 

Uit: Van de passielooze lelie

Flowers Forever

Ida Gerhard - De Akelei (Dürer)

Toen hij het kleine plantje vond,

boog hij aandachtig naar de grond

en dan, om wortels en om mos

groef hij de fijne aarde los,

voorzichtig - dat zijn hand niets schond.

Behoedzaam rondom aangevat

droeg hij het langs het slingerpad

van bos en akker voor zich uit,

en schoof het thuis in 't licht der ruit

zoals hij het gevonden had.

 

Dan, fluitende en welgezind

mengde hij zoekend eerst de tint;

diepblauw en zwart ineengevloeid,

met enk'le druppels rood doorgloeid,

dat het tot purper samenbindt.

 

En uur aan uur trok stil voorbij;

zó diep verzonken werkte hij,

dat het hem soms was of zijn hand

de vezels tastte van de plant-

zo glanzend kwam de omtrek vrij.

 

Totdat het gaaf te prijken stond:

de wortels scheem'rend afgerond,

het uitgesprongen groene blad

scherp in zijn karteling gevat

tegen de lichte achtergrond;

 

de bloemkroon purper violet,

de hokjes om het hart gebed

en boven de geknikte steel

de honingsporen, het juweel

vijfvlakkig: kantig neergezet.

 

In 't vallend donker toefde hij

nog dralend bij zijn akelei;

dan, in het laatste licht van 't raam

schreef hij de letters van zijn naam

en 't jaartal glimlachend erbij.

 

Uit: Tijdschrift Tijd en taak

 

                                                         Ted van Lieshout

Flowers Forever

Hans Warren  - Zandblauwtje

Zandblauwtje

Scherfje hemel op de duintop trillend in de wind.

Omdat ik niet zeker was plukte ik de schraalste.

's Avonds, vergeten in mijn zak: dor propje, sprietje, spijt.

Water deed wonderen, 's anderendaags bloeide je weer, liet je determineren.

Zandblauwtje, Jasione montana. Scherfje hemel in een plastic beker.

De wroeging blijft, geen wind, geen bij beroert je meer, en

ijdel is dit woord.

Uit: Tijd

Paul Snoek - Conversatie met mijn bloemen

I

Ik weet het bloemen,

gij die aan mijn venster staat

en luistert naar de houten stemmen in de straat,

langer dan mijn naam zult gij bestaan

en luisteren naar de straat,

die mij smorgens als een vogel

loslaat in de tuinen van de dag

en die me savonds,

als de bloemen aan hun venster slapen,

vraagt of ik gelukkig was.

Gij weet het bloemen,

gij die aan de kleuren namen geeft

en luistert

naar mijn klein gebeuren in de straat,

dat ik een wezen ben

dat tussen mensen staat

en dat alleen is, meer alleen

dan aan mijn venster in zijn kleine kooi

de blinde vogel die zijn meester haat.

 

Wij weten bloemen

dat er in de droefheid

vreugde en wat kleur bestaat

en daarom bloemen

zijn wij soms gelukkig,

gij en ik.

Uit: Gedichten 1954-1968

Remco Campert -Ja rozen

Dit zijn rozen voor je

 

en alle poëzie

Dit is mijn mooiste pose:

die van liefdes acrobaat,

zwevend schijnbaar moeiteloos,

maar met krampende tenen

boven een bed

van rozen en doornen.

Ik zal je nu beschrijven:

kijk ik teken rozen op je huid

en jij doornen op de mijne.

 

Goed,

ik ben acrobaat.

Is er een mooiere pose?

 

Pose van gevaar,

balancerend tussen begeerte en verweer:

ik stijg, ik val en onderwijl:

 

ik teken rozen

rozen

rozen

 

en dit zijn rozen.

UIt: Verzameld werk

 

                                                                                                     Wim Spierings

Willem Kloos

De dode bloemen komen niet weerom,

Maar IK zal heerlijk in mijn Vers herrijzen

 

Ik ween om bloemen, in de knop gebroken

En vóór de ochtend van haar bloei vergaan,

Ik ween om liefde, die niet is ontloken,

En om mijn harte dat niet werd verstaan: (..)

                                                                                                      Wim Spierings 

Herman de Coninck 

Vooraan in mijn tuin vertellen rozen

een helderrode mening waar ik achter sta.

Te kijken.

 

Ik geloof in een socialisme zoals de natuur

ons dat leert, wie zei dat ook weer: lucht

en zon zijn van iedereen.

De gelijkheid van er is voor allemaal evenveel

regen, groeien jullie maar, planten.

En de prachtige ongelijkheid die dat oplevert.

 

Uit:12 gedichten

Leo Vroman - Bloemen

Als alle mensen eensklaps bloemen waren

zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.

Vermagerde vliegen, dode torren

zouden blijven haken in hun haren.

Tandenstokers, steelsgewijs ontsproten,

zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,

katoenen knoppen zouden openscheuren

t9ot pluche harten die naar franje geuren,

En op de bergen zouden gipsen zuilen staan

Die gipsen druiven huilen.

 

Op het water dreven bordkartonnen blaren,

De vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken

En van geur verdorden alle perken

Als alle mensen eensklaps bloemen waren.

 

Uit: 262 gedichten

Sipko Melissen- Buitenhuis

De appelboom staat al weer klaar

de bloesems komen dit voorjaar

laat maar zij komen niettemin

 

want in de takken huist geduld

een winter lang zijn zij vervuld

van niets dan breekt voor ons de knop (..)

UIt: Gezicht op Sloten

 

                                                                                                                          Ted van Lieshout 

Hans Andreus - Bloesemtak

Wie sprak

van bloesemtak?

 

Het meisje met de sentimentele ogen

het meisje van teder en diepbewogen

het meisje van goed en edel en waar

het meisje met de tranen uit de bazaar

(..)

Uit: Muziek voor kijkdieren