Ga direct naar de hoofdinhoud

Ida Gerhard - De Akelei (Dürer)

Toen hij het kleine plantje vond,

boog hij aandachtig naar de grond

en dan, om wortels en om mos

groef hij de fijne aarde los,

voorzichtig - dat zijn hand niets schond.

Behoedzaam rondom aangevat

droeg hij het langs het slingerpad

van bos en akker voor zich uit,

en schoof het thuis in 't licht der ruit

zoals hij het gevonden had.

 

Dan, fluitende en welgezind

mengde hij zoekend eerst de tint;

diepblauw en zwart ineengevloeid,

met enk'le druppels rood doorgloeid,

dat het tot purper samenbindt.

 

En uur aan uur trok stil voorbij;

zó diep verzonken werkte hij,

dat het hem soms was of zijn hand

de vezels tastte van de plant-

zo glanzend kwam de omtrek vrij.

 

Totdat het gaaf te prijken stond:

de wortels scheem'rend afgerond,

het uitgesprongen groene blad

scherp in zijn karteling gevat

tegen de lichte achtergrond;

 

de bloemkroon purper violet,

de hokjes om het hart gebed

en boven de geknikte steel

de honingsporen, het juweel

vijfvlakkig: kantig neergezet.

 

In 't vallend donker toefde hij

nog dralend bij zijn akelei;

dan, in het laatste licht van 't raam

schreef hij de letters van zijn naam

en 't jaartal glimlachend erbij.

 

Uit: Tijdschrift Tijd en taak

 

 

Paul Snoek -Conversatie met mijn bloemen

I

Ik weet het bloemen,

gij die aan mijn venster staat

en luistert naar de houten stemmen in de straat,

langer dan mijn naam zult gij bestaan

en luisteren naar de straat,

die mij smorgens als een vogel

loslaat in de tuinen van de dag

en die me savonds,

als de bloemen aan hun venster slapen,

vraagt of ik gelukkig was.

Gij weet het bloemen,

gij die aan de kleuren namen geeft

en luistert

naar mijn klein gebeuren in de straat,

dat ik een wezen ben

dat tussen mensen staat

en dat alleen is, meer alleen

dan aan mijn venster in zijn kleine kooi

de blinde vogel die zijn meester haat.

 

Wij weten bloemen

dat er in de droefheid

vreugde en wat kleur bestaat

en daarom bloemen

zijn wij soms gelukkig,

gij en ik.

Uit: Paul Snoek: Gedichten 1954-1968